Het was de eerste dag van hun vakantie in Slovenië. Timo, Walt en Mathis zaten op het terras van hun huisje in Smartno en keken uit over de prachtige groene heuvels vol wijngaarden en de dichte bossen in de verte.

"Het is hier wel mooi," zuchtte Timo, terwijl hij naar de eindelloze rijen druivenstokken keek, "maar ik mis het Fluisterende Bos."

"En de Hosjifosj," voegde Walt toe. "Denken jullie dat hij zich afvraagt waar we zijn?"

Mathis knikte verdrietig. "Thuis konden we hem elke dag bezoeken via de magische struik. Maar hier tussen al die wijngaarden..."

Ze keken rond naar de vreemde wijnstokkken en zuiderse planten. Niets leek op hun vertrouwde magische poort thuis.

"Misschien," zei Bompa, die net met een kop koffie naar buiten kwam, "moeten jullie eens gaan wandelen tussen die wijngaarden daar. En wie weet, misschien zijn er nog oude bossen verderop. Je weet maar nooit wat voor bijzondere dingen je daar vindt."

De kinderen keken elkaar hoopvol aan. "Goed idee, Bompa!"

Na het ontbijt trokken ze hun wandelschoenen aan en gingen op pad. Ze liepen eerst tussen de wijngaarden door, waar de druivenstokken in keurige rijen stonden. De zon scheen warm op hun gezichten en overal rook het naar rijpe druiven.

"Kijk, daar!" wees Mathis naar een smal pad dat tussen de wijngaarden door naar een bosje leidde.

Het kleine bos achter de wijngaarden was anders dan thuis - voller, wilder, en de bomen leken oude geheimen te fluisteren.

"Horen jullie dat?" vroeg Walt plotseling, terwijl ze een smal bospad volgden.

Er klonk een zacht geritsel, gevolgd door een geluid dat ze heel goed kenden - een vrolijk gegniffel.

"Dat klinkt als..." begon Timo opgewonden.

"Een Hosjifosj!" riepen ze alle drie tegelijk.

Ze volgden het geluid terug door het bosje en toen tussen de wijngaarden door, totdat ze bij een kleine open plek kwamen die verscholen lag tussen twee heuvels vol wijnstokkken. Daar, in de schaduw van een oude walnootboom, zat een wezen dat sprekend leek op hun Hosjifosj - maar dan anders.

Dit wezen had een dikkere, grijzere vacht, droeg een kleine groene hoed met een veertje, en had ogen die twinkelden als bergkristallen.

"Hallo daar!" riep het wezen vrolijk in een accent dat ze niet kenden. "Jullie zijn zeker de drie vrienden waar mijn neef het altijd over heeft!"

"Je neef?" vroeg Mathis verbaasd.

"Natuurlijk! Ik ben Janez, de Sloveense Wijngaard-Hosjifosj! Mijn neef in het Fluisterende Bos heeft me veel over jullie verteld door onze magische bergecho's!"

De kinderen keken elkaar vol verbazing aan. "Er zijn meer Hosjifosjes?" vroeg Walt.

Janez lachte hartelijk. "Overal ter wereld zijn er Hosjifosjes, kleine vrienden! In elke magische plek woont er wel een. In Slovenië bewaakt ik de wijngaarden en de ondergrondse wijnkelders."

"Maar hoe wist jij dat wij hier waren?" vroeg Timo nieuwsgierig.

"Ach," zei Janez met een knipoog, "de wijngaarden hebben oren, en de wijnstokken hebben ogen. Toen jullie vanmorgen zo verdrietig naar de heuvels keken, hoorden de wijngeesten jullie gemis."

Hij stond op en gebaarde hen hem te volgen. "Kom, ik laat jullie de Sloveense magie zien!"

Janez leidde hen door de wijngaarden naar een oude, stenen wijnkelder die verscholen lag onder een van de heuvels. Binnen gloeide alles in een zachte, gouden gloed, alsof de muren vol zaten met kristallen die het licht van duizenden kaarsen weerkaatsten.

"Dit," zei hij trots, "is de Gouden Wijnkelder. Hier kunnen alle Hosjifosjes ter wereld met elkaar praten!"

Hij ging voor een grote, glimmende gouden spiegel staan die in de muur was ingebouwd en legde zijn pootjes erop. Plotseling begon de spiegel te gloeien en hoorden ze een vertrouwde stem...

"Kleine vrienden! Is dat echt jullie stem die ik hoor?"

"Hosjifosj!" riepen de kinderen opgewonden. "We zijn in Slovenië en we misten je zo!"

De stem van hun eigen Hosjifosj klonk warm door het kristal. "Ik heb jullie ook gemist! Maar nu weet ik dat jullie in goede handen zijn bij mijn neef Janez."

"We kunnen elke dag hierheen komen om je te spreken," zei Janez vrolijk. "En ik kan jullie de Sloveense wijngaard-magie leren!"

De dagen die volgden waren gevuld met nieuwe avonturen. Janez leerde hen hoe ze met de wijngaard-muizen konden praten die tussen de druivenstokken woonden, hoe ze magische druiven konden vinden die zoeter waren dan honing, en hoe ze de oude verhalen van de Sloveense wijngaarden konden verstaan.

Elke ochtend bezochten ze de Gouden Wijnkelder om hun eigen Hosjifosj te spreken. Hij vertelde hen over de nieuwe dingen die er in het Fluisterende Bos gebeurden, terwijl zij verhalen deelden over hun Sloveense avonturen.

"Weet je," zei Janez op een avond, terwijl ze samen naar de sterren keken, "magie is overal. Jullie hoefden alleen maar te kijken met open harten."

Op hun laatste dag in Slovenië gaf Janez elk van hen een kleine, gouden druif die nooit zou rotten.

"Deze zullen jullie altijd herinneren aan onze tijd samen," zei hij. "En wie weet, misschien zien we elkaar weer als jullie ouder zijn en zelf de wereld gaan ontdekken."

Toen ze thuiskwamen en hun eigen Hosjifosj weer bezochten via de magische struik, hadden ze zoveel verhalen te vertellen!

"Jullie hebben geleerd," zei hun Hosjifosj trots, "dat vriendschap geen grenzen kent. Of je nu thuis bent of ver weg, de magie van vriendschap is overal te vinden."

Die nacht, toen ze in hun eigen bedden lagen, hielden de kinderen hun gouden druiven vast. Ze glimlachten, wetend dat ze nu niet één, maar twee Hosjifosj-vrienden hadden - en dat er overal ter wereld magische wezens waren die klaarstonden om kinderen met open harten te helpen.

En soms, heel soms, als de wind precies goed stond en door de wijngaarden waaide, meenden ze het verre gegrinnik van Janez de Wijngaard-Hosjifosj te horen, ergens tussen de druivenstokken van Smartno.